Jan Goossens: ‘Een jaar na de stopzetting van USAID: tijd om verontwaardiging om te buigen in daadkracht’
‘Bommetjes’ gooien is de favoriete bezigheid van Donald Trump. Liefst geheel onverwacht en overgoten met flink wat duistere onvoorspelbaarheid. Zo ondertekende hij vorig jaar, kort na zijn inauguratie, op groteske en abrupte wijze de stopzetting van USAID.
In de wereld van de humanitaire organisaties en ver daarbuiten sloeg dit nieuws in als een bom die Oppenheimer zou doen verbleken bij zijn experimenten. In het zog van de Amerikaanse beslissing volgden ook vele andere landen, door de knip op de portemonnee te houden voor de uitgaven op hun departement van internationale samenwerking.
Dat het stof hierrond nog lang niet is neergedaald, blijkt uit verschillende reacties de afgelopen dagen en weken. De artikelen en studies waarnaar verwezen wordt, onder meer in het eminente The Lancet, laten weinig aan de verbeelding over. Ze maken pijnlijk duidelijk wat dit betekent voor de vele mensen die afhangen van hulpprogramma’s: of het nu gaat over de strijd tegen seksueel geweld tegen vrouwen, het terugdringen van kinder- en moedersterfte, of programma’s die waken over het klimaat.
Niet dat de bezorgdheden rond Trumps USAID-strapatsen niet relevant en terecht zijn, laat dat duidelijk zijn. Alleen gaan we er niet komen door keer op keer dezelfde retoriek boven te halen. Mijn insteek pleit ook niet voor verdere afschaffing of beknotting van internationale solidariteit, en al zeker niet als het gaat over noodhulp en acute situaties: wel integendeel.
Vanuit geopolitiek, economisch en militair oogpunt wringt Trump de arm om van de rest van de wereld. Maar door onder meer het Groenland-debat op de spits te drijven, lijkt het besef om te reageren in een stroomversnelling te zijn gekomen.
Dus is dit misschien het moment om ons ook te buigen over een paradigmashift als het gaat over ontwikkelingssamenwerking, en dat in de meest ruime zin. Het dwingt ons na te denken of veel projecten niet (veel) te lang aan het subsidie-infuus hebben gehangen en zich daarmee in een goedbedoelde maar uiteindelijk paradoxale afhankelijkheid hebben genesteld.
Een kleine 40 jaar in ‘de wereld van de ontwikkelingssamenwerking’ heeft me cynisch noch sceptisch gemaakt, maar hoe langer hoe meer kritisch. Zorgvuldigheid en kennis ter zake (of ten velde) is geen overbodige luxe in het ondersteunen van projecten of lokaal ondernemerschap, met het oog op het doorgeven van het estafettestokje zonder dat het op de grond valt.
Of om ontwikkelingshulp in een metafoor met een knipoog te gieten: wie zijn nieuwe auto afhaalt in de garage krijgt enkele liters benzine in de tank om te vertrekken, maar moet zich voorzien op een nieuwe tankbeurt op weg naar huis… Ik heb dikwijls gemerkt dat velen onderweg dan al in panne vallen.
Het is overigens onderhand geweten: ontwikkelingshulp trekt een land niet uit de armoede; daar zijn heel andere mechanismen voor nodig. Hoewel ik er hier en daar ook wel een kanttekening bij heb, geloof ik heel erg in de visie zoals Loïc De Cannière ze beschrijft in zijn boek ‘Afrika, een gedroomde toekomst’. Initiatieven van mensen in bijvoorbeeld veel Afrikaanse landen krijgen dikwijls voet aan de grond als ze een klein opstapje krijgen, maar tegelijk omarmd worden met een grote mate van eigenaarschap door de mensen zelf, in het besef dat ze hun lotsverbetering in eigen handen hebben.
Het grootste struikelblok zijn spijtig genoeg dikwijls de privileges van lokale autoriteiten, machthebbers en elite; ze verhouden zich zelden in complementariteit met de daadkracht van de gewone man om vooruit te komen. Erger nog: dikwijls fnuiken ze dergelijke initiatieven omdat ze hun lucratieve belangen bedreigd zien. Externe projecthulp (dikwijls uit het buitenland) verdampt dan al snel en wordt zo een slag in het water. Corruptie doodt.
Daar lijkt me een echte uitdaging in te zitten als we de klassieke ontwikkelingssamenwerking willen herdenken.
Bij het lezen van de ondertussen gelauwerde speech die de Canadese premier Marc Carney in Davos hield, kwam bij mij ook de gedachte op van de ‘derde weg’ die we te bewandelen hebben om impact te creëren, in dit geval wanneer het gaat over ontwikkelingssamenwerking.
Als USAID de deur sluit, welke strategieën kunnen we dan in solidariteit uitwerken om te vermijden dat de geprojecteerde cijfers in The Lancet ook werkelijk in de geschiedenisboeken komen binnen enkele jaren? We hebben de discussie voorbij de klassieke reflexen te voeren, samen met een coalition of the willing die een opportuniteit ziet in de terugtrekking van USAID.
De verontwaardiging over onbezonnen beslissingen moet blijven bestaan, maar de meest kwetsbare mensen in lage-inkomenslanden zijn niet gebaat met een larmoyante ondertoon die wijst naar de onvoorspelbare beslissingen van een narcist. Laten we de verontwaardiging ombuigen in daadkracht.
Bron: Knack
