Brecht Nuyts: ‘Levensbeschouwelijke vakken: als we onderwijs reduceren tot efficiëntie, verliezen we uit het oog wat vorming betekent’
Deze namiddag komen de onderwijsbonden in Brussel op straat tegen het nieuwe Vlaamse decreet rond de levensbeschouwelijke vakken. Eind maart kondigde Minister Zuhal Demir aan dat de vakken blijven bestaan, evenals de erkende instanties. De berekening van de splitsingsnormen zal voortaan per graad gebeuren en het verplicht parallelisme, dat betekent dat klasgroepen enkel uit dezelfde finaliteit kunnen worden samengesteld, wordt afgeschaft. Daardoor verdwijnen 1.200 banen, verspreid over alle onderwijsnetten. Voor een grotere school zou het al snel over 5 à 10 voltijdse posities kunnen gaan.
Tot nu toe kraaide hier in de media maar een heel enkele spreekwoordelijke haan naar, maar de gevolgen van deze hervorming zijn enorm verregaand. Als we onderwijs enkel nog in termen van besparingen en efficiëntie bekijken, verliezen we uit het oog wat vorming betekent. Bovendien is daarmee nog niet gezegd dat een kil besparingsbeleid ook daadwerkelijk zo ‘efficiënt’ zal blijken voor scholen en leerlingen zelf.
Als godsdienstleraar voel ik me natuurlijk in de eerste plaats vanuit een bezorgdheid over de positie van reflectie en zingeving in de toekomst van ons onderwijs. Veel leerlingen zoeken woorden voor wat ze voelen, ervaren of hopen. Onderzoek van de Scholierenkoepel uit 2023 bevestigt: 62% van de jongeren vindt een levensbeschouwelijk vak nuttig: “Dit soort gesprekken kan zorgen voor meer respect en begrip tussen leerlingen met verschillende levensbeschouwelijke achtergronden. Het stelt hen in staat om elkaars overtuigingen, tradities en waarden te begrijpen en waarderen.”
Niet alleen openlijk in de klas, maar soms ook aarzelend aan de klasdeur na het belsignaal, of schriftelijk op een toets, stellen leerlingen levensbeschouwelijke vragen. De vraag rijst hoeveel ruimte zulke gesprekken nog krijgen in steeds grotere groepen waar de anonimiteit vergroot en de leerlingen elkaar veel minder goed kennen. Cru gezegd: verwachten we echt dat de meisjes van haartooi en de jongens uit een STEM-klas, die elkaar misschien nog nooit van dichtbij gezien hebben, straks op een zinvolle manier met elkaar in gesprek gaan? Dat leerkrachten lessen ontwikkelen die beide publieken binnen één les kunnen prikkelen?
Zelfs in de eigen klas is spreken over twijfel, identiteit of overtuiging vaak al moeilijk genoeg terwijl net die oefening deze vakken relevant maakt. Jongeren leren er luisteren naar andere standpunten, hun eigen visie onder woorden brengen en omgaan met verschil zonder het meteen weg te duwen. Dat zijn geen randzaken, maar vaardigheden die elke samenleving nodig heeft.
Maar ook wie de levensbeschouwelijke vakken maar een ‘praatbarak’ vindt, heeft redenen om zich zorgen te maken bij deze evolutie. Bij een grote ontslagenronde of sluiting in de industrie, benadrukt men in de media, met goede redenen, de dramatische kant voor de betrokken werknemers en gezinnen. Dat er in het onderwijs vele honderden banen verloren kunnen gaan, heeft tot nu toe veel minder weerklank gekend in onze pers. Bij Mediahuis deed men nog een poging met de titel: “Organisatie wordt grote chaos: hervorming levert besparing op van 1.200 leerkrachten”.
Geen schok, geen drama, maar een ‘besparing’. Verraadt deze woordkeuze niet hoe er naar leraren als mezelf wordt gekeken? Ook “chaos” wordt niet nader toegelicht. Die 1.200 leerkrachten verdwijnen niet zomaar in het niets; zij schuiven door naar andere vakken via “wedertewerkstelling” en veroorzaken zo – buiten hun wil om – een domino-effect. Dit decimeren raakt potentieel elke leerkracht in de leraarskamer. Schooldirecties links en rechts lieten al weten zich inderdaad geen raad te weten met het organisatorisch moeras dat hierdoor ontstaat.
De vanzelfsprekendheid waarmee men hier een kortzichtige besparingslogica hanteert, stemt tot nadenken over wat ons verder nog te wachten staat. Als grotere, gemengde groepen pedagogisch verantwoord zijn voor levensbeschouwelijke vakken, waarom zou dat dan morgen niet gelden voor wiskunde, Nederlands of electriciteit? Wouter Duyck, de onderwijspsycholoog die het oor van minister Demir heeft, baseert zijn programma immers gretig op het onderzoek van John Hattie, waarin wordt gesteld dat klasgrootte nauwelijks impact heeft op leeruitkomsten. Zijn de leerkrachten levensbeschouwelijke vakken de kanaries in de koolmijn voor wat onze collega’s in de leraarskamer ook nog boven het hoofd hangt? In wat voor onderwijs komen de huidige eerstejaarsstudenten in de lerarenopleidingen straks onverwacht terecht?
Natuurlijk is er begrip voor besparingen; we betalen tenslotte allemaal belasting en wij als leerkrachten kiezen bewust voor een maatschappelijk engagement als job. Maar laat de leerkracht die job dan ook uitvoeren in werkbare omstandigheden, met groepen die hanteerbaar zijn en hervormingen die ons concreet vooruit helpen.
Als de focus in het onderwijs verschuift naar het louter financiële plaatje, verliezen we de kern uit het oog: we organiseren onderwijs om jongeren te helpen groeien tot volwaardige burgers en hebben hierbij aandacht voor hun totale persoonlijkheid. Overvolle klassen met onwerkbare samenstellingen, dragen daar niet toe bij, in geen enkel vak.
