Ode aan een gebroken belofte: waarom de dood van voormalig acteur Walter Michiels ons raakt

Afgelopen donderdag werd het nieuws bekendgemaakt dat Walter Michiels is overleden. Hij werd 62 en had euthanasie aangevraagd, nadat er een hersentumor bij hem was vastgesteld. Dat zijn overlijden nieuws was, mag in zeker opzicht opmerkelijk heten. Want hoewel er nog steeds wordt verwezen naar zijn rol als Pico Coppens in de tv-serie FC De Kampioenen, lag die tijd al decennia achter hem. Nadien speelde hij nooit meer een televisie- of theaterrol van betekenis. Bovendien wilde Walter Michiels zelf niet aan Pico Coppens of De Kampioenen herinnerd worden. Zijn exit uit de reeks was immers de start van een ogenschijnlijk eindeloos brokkenparcours, waarin vooral overmatig alcohol- en middelengebruik, psychisch lijden, sociale marginaliteit en criminele feiten de koers bepaalden.

Sommigen hebben er daarom uitdrukkelijk voor gepleit om hem niet langer als publiek figuur te behandelen. Het moest gedaan zijn met de obscene Schadenfreude over Michiels’ privéongevallen, met als excuus dat “hier wel om Pico ging”.

Maar schuilt in deze spanning niet net ook de reden waarom het overlijden van Michiels wel degelijk nieuws mag heten, en velen van ons raakt? Hij was inderdaad geen publiek figuur meer, maar de ‘gebroken belofte’ van wat we meestal in zulke figuren zoeken: talent, charme, glamour, geluk, een voorbeeldfunctie. Walter Michiels, zo blijkt uit veel getuigenissen van ex-collega’s, had het allemaal kunnen hebben. En dan hadden wij ervan kunnen meegenieten, als dankbaar publiek. Maar het liep dus anders.

Nu hij er niet meer is, is de belofte voorgoed opgeborgen, we zijn haar definitief kwijt. Daar rouwen we om, alsook om het feit dat we als samenleving misschien te weinig in staat zijn gebleken een plek te creëren waar Walter Michiels toch nog een gelukkig én waardig leven kon leiden. Niet als publiek figuur, maar ‘gewoon’ als mens, zoals u en ik, met zijn eigen vermogens, verlangens én demonen.

Shakespeare

Ofschoon ook wij Walter Michiels niet persoonlijk kenden, heeft hij ons pad wel een aantal keren gekruist, lang nadat hij Pico Coppens was. Als student kon je hem tegenkomen in het stadspark van Leuven, zeker als je al eens een sigaret rookte en er niet te beroerd voor was om vuur te vragen aan een van de buitenissige en haveloze figuren die samenhokten in een hoek van het park, veelal met een hoop kabaal en in een waas van alcohol en roesmiddelen. Walter Michiels was dikwijls een van de grote gangmakers in dat bonte ensemble. Hij kon het goed (en luid) uitleggen, en had altijd verhalen en moppen te over om er de soms grimmige sfeer in te houden.

Maar we hebben hem ook gezien toen hij, zoals bekend, op het einde van zijn leven een tijdlang in de hulpgevangenis van Leuven verbleef. We zagen hem daar in de bibliotheek, waar hij, als hij al kwam, meestal stil en teruggetrokken in een hoekje zat te monkelen, argwanend om zich heen loerend. Op een keer gebeurde er iets opmerkelijks. In een gesprek over lezen en literatuur waagde iemand het om zijn schouders op te halen over Shakespeare. Schijnbaar uit het niets veerde het toen al behoorlijk verzwakte lichaam van Walter Michiels overeind, en begon hij druk te oreren over het ongeëvenaarde genie van Shakespeares toneelstukken. Toen hij zelfs met grote sier een stukje uit Romeo and Juliet begon te declameren (van de rol van Mercutio die hij zelf ooit speelde), stond iedereen werkelijk paf.

Het duurde niet lang. Een luttele vijf minuten later had hij zich al weer monkelend in zijn hoekje teruggetrokken. Toch hadden we de belofte waar we nu om rouwen even zien opflitsen. De diepe menselijkheid die haar gebroken, maar passionele gelaat nog een enkele keer aan ons liet zien, en waarin wij ons deels ook, ‘als in een donkere spiegel’, al te goed herkenden.

Now art thou what thou art, by art as well as by nature. Adieu, Walter, en rust zacht.        

Laat een reactie achter