Tim Brys & François Levrau: ‘Is onze economie er voor de machines, of voor de mensen?’

De AI-ontwrichting

Het ziet er steeds meer naar uit dat AI onze economie grondig zal ontwrichten. Ten minste, de stemmen die deze boodschap brengen, klinken steeds luider. Enkele weken geleden ging een essay van Matt Shumer viraal op X; hij is ceo van een Amerikaans AI-bedrijfje. Ook Vlaamse journalisten en opiniemakers berichtten erover. Shumer vergelijkt de opkomst van AI met die van covid: niemand zag het aankomen, maar plots veranderde onze wereld fundamenteel. In zijn eigen job in de softwaresector zou AI al zijn technische werk reeds overgenomen hebben. Hij ziet binnenkort hetzelfde gebeuren in juridisch, financieel, medisch en ander werk. Zijn essay is bedoeld om familie en vrienden te waarschuwen: de wereld zal heel snel erg desoriënterend worden, huidige manieren van werken zullen massaal verdwijnen, spring zo snel mogelijk op de AI-trein om voorop te blijven, anders word je hopeloos achtergelaten, waarschijnlijk zonder job.

Vorige week ging opnieuw een essay over AI viraal, ditmaal geschreven door leden van de investeerdersonderzoeksgroep Citrini Research. Opnieuw berichtte de pers erover en de beurzen reageerden negatief. Het essay schetst namelijk een scenario waarin AI steeds krachtiger wordt, terwijl het – in tegenstelling tot de beloften van AI-bedrijven – de economie niet ten goede komt.

Volgens de analyse zou de vraag naar menselijk kantoorwerk kelderen, met faillissementen en een enorme beurscrash tot gevolg. Dit omdat de middenklasse zou verdwijnen en daarmee het gros van de consumptie waar de economie van afhangt. Als de groep die zich de producten en diensten kan veroorloven steeds kleiner wordt, maakt het niet uit dat productiviteit exponentieel stijgt.

De conclusie van het essay: “als investeerders hebben we nog de tijd om te evalueren in welke mate onze portfolio’s gebouwd zijn op veronderstellingen die dit decennium niet zullen overleven.”

Die analyse doet denken aan een centrale tegenstrijdigheid die Marx in zijn beschrijving van het kapitalisme aanwijst. Kapitalisten streven naar voortdurende kapitaalcumulatie en vergroten daarvoor de productieve capaciteit. Tegelijk proberen zij de loonkosten zo laag mogelijk te houden om hun winsten te maximaliseren.

Maar precies daardoor blijft de koopkracht van de arbeiders (de belangrijkste consumenten) achter bij de groeiende productie. Het resultaat is een structurele neiging tot overproductie. Er worden meer goederen voortgebracht dan de markt kan absorberen, wat het systeem periodiek in crisis stort.

Aanpassen of opkrassen?

Beide essays eindigen met redelijke aanbevelingen: zorg dat je mee bent met de razendsnelle ontwikkelingen, blijf voor op anderen om je werk veilig te stellen, investeer je kapitaal zodat het ondanks de ontwrichting zal blijven toenemen.

Zeker in context van het laatste essay kunnen die conclusies echter cynischer gelezen worden. Zorg dat je bij de elite zal horen wiens levensstandaard erop vooruit zal gaan ten koste van die van de grote massa.

Moeten we ons niet beter afvragen hoe we als maatschappij deze tsunami alsnog in goede banen kunnen leiden, zodat ze iedereen ten goede komt?

Het is precies op dit punt dat er een diepere collectieve verantwoordelijkheid in beeld komt. Technologische vooruitgang is immers geen neutrale evolutie waarbij je, in meritocratische termen, eenvoudigweg kunt zeggen: “Wie zich niet kan aanpassen, valt uit de boot.” Net degenen die het meest bedreigd worden door automatisering (mensen met beperkte natuurlijke talenten of weinig sociale kansen), zijn vaak ook zij die al structureel benadeeld waren en dus extra kwetsbaar zijn. Als hun werk verdwijnt, volstaat het niet om vrijblijvend te wijzen op het bestaan van ‘nieuwe opportuniteiten’ en het aanboren van het ‘aanpassingsvermogen’.

In een rechtvaardige samenleving waar het bovendien goed is om samen te leven, dient iedereen in staat gesteld te worden om op een volwaardige manier te kunnen deelnemen aan die samenleving. Waar een strikt verdienmodel heel wat mensen laat vallen, hoort de ‘technologische disruptie’ die samengaat met AI eerder beschouwd te worden als een kwestie van ‘brute pech’, en dus als iets waarvoor de samenleving als geheel verantwoordelijkheid draagt.

Dat veronderstelt compensatie via sterke sociale vangnetten. Een rechtvaardig systeem kan bijvoorbeeld de vorm aannemen van een onvoorwaardelijk basisinkomen gekoppeld aan waardige vormen van participatie, zoals zorg, vrijwilligerswerk of cultuur. Zo wordt erkend dat automatisering geen persoonlijke fout is. Het is immers onaanvaardbaar dat een beperkte groep bedrijven of ontwikkelaars disproportioneel profiteert van AI, terwijl anderen hun bestaanszekerheid verliezen.

De productiviteitswinsten van automatisering zijn bovendien mogelijk gemaakt door decennialange publieke investeringen in onderwijs en technologie, waardoor ze niet rechtvaardig is wanneer slechts enkelen de winsten daarvan kunnen opstrijken. De winsten dienen daarom via belastingen op kapitaal, automatisering of datagebruik herverdeeld te worden ten voordele van wie economisch uitgesloten dreigt te raken.

Naar een economie op mensenmaat

De analyses van Shumer en Citrini Research passen in een economische logica waarin competitie en eigenbelang moeten leiden tot een steeds grotere collectieve welvaart. Hun analyses tonen echter aan dat dit mechanisme een janusgezicht heeft: niet iedereen profiteert en het zijn vooral de sterksten die de meeste winst naar zich toetrekken. De opkomst van AI en de snelheid van technologische ontwrichting tonen bovendien aan hoe een economie die gebaseerd is op eindeloze groei en consumptie op haar eigen grenzen botst.

Consumptie groeit namelijk niet vanzelf, daarom is marketing uitgedijd tot een systeem dat niet louter informeert maar vooral beïnvloedt. Het creëert noden, koppelt producten aan beelden van geluk en succes, en herhaalt slogans tot ze vanzelfsprekend lijken. Daarnaast worden producten doelbewust verslavend gemaakt. Denk aan de voedingsindustrie die gebaseerd is op onze evolutionair ingebakken voorkeur voor suiker, vet en zout.

Of denk aan de sociale media die de menselijke behoefte aan erkenning opschalen tot een permanente stroom van likes en notificaties. Zo wordt onze aandacht een grondstof en ons gedrag een vorm van consumptie.

De vraag is of deze logica ons werkelijk gelukkiger maakt. De obesitasepidemie, het eindeloze scrollen en de giftige dynamieken op sociale media suggereren alvast van niet. Waar vroeger matiging een deugd was, moedigt het systeem vandaag gulzigheid, ijdelheid en voortdurende prikkeling aan. Die aanmoediging is niet het gevolg van een morele overtuiging (omdat het goed voor de mens is), maar omdat het goed is voor de consumptiemachine.

Dezelfde logica die de consument richting meer consumptie duwt, stuwt de werknemer richting meer productie. Efficiëntie wordt de hoogste norm, en technologie versterkt dat. Byung-Chul Han beschrijft hoe deze focus op maximalisatie uitmondt in burn-out. Onderzoek wijst erop dat werknemers die dankzij AI sneller en meer kunnen produceren uiteindelijk nog sneller overbelast raken, omdat de verwachtingen meestijgen. Efficiëntie verlicht het werk niet, ze vergroot het volume ervan. Denk aan de email die de brief vervangt. De belofte is dat we nu minder tijd nodig hebben om te communiceren, maar net doordat de email zo efficiënt is, zijn we voortdurend naar elkaar aan het mailen.

In dit systeem verschuift de aandacht naar het objectieve resultaat van arbeid, namelijk het product, de output en de kosten. Het subjectieve aspect – dat werk mensen moet helpen hun menselijkheid te verwezenlijken – raakt volledig ondergesneeuwd. Paus Johannes Paulus II herinnerde er in Laborem Exercens aan dat arbeid in de eerste plaats een menselijke activiteit is die waardigheid moet scheppen.

In een economie waarin machines productiever en goedkoper zijn dan mensen, is er echter weinig dat verhindert dat het menselijke wordt weggeoptimaliseerd. In dat geval wint de winstmarge het van de mens, met minderwaardig werk, massale werkloosheid en sociale onrust tot gevolg, volgens het Citrini scenario.

De grotere vraag is daarom deze: moeten mensen zich aanpassen aan een economie die steeds minder met hen te maken lijkt te hebben, of moet de economie opnieuw worden vormgegeven naar menselijke maat? Mensen zijn immers niet gemaakt om eindeloos te consumeren of steeds efficiënter te produceren. Machines wel. Zij functioneren optimaal in mateloosheid; wij niet.

Als zij ons beginnen voorbij te streven op alle fronten, dan is het niet de mens die tekortschiet, maar het economisch model dat uit het oog verliest voor wie het bedoeld was. Shumer en Citrini erkennen dat het moeilijk is dit model fundamenteel te veranderen, maar precies daarom is het gevaarlijk om alleen binnen het bestaande kader oplossingen te zoeken.

De technologie staat klaar, maar de samenleving niet. Zolang de economie niet in dienst staat van mensen, maar mensen in dienst van de economie, blijven de risico’s groter dan de beloften…

Bron: Knack

Laat een reactie achter