Jelle Creemers: ‘Levensbeschouwelijk onderwijs verdient beter dan een snelle besparing’
De Vlaamse regering, en met name Minister van Onderwijs Zuhal Demir, wil aanpassingen in het levensbeschouwelijke onderwijs op school. Ze wil daarbij graag honderd miljoen euro besparen. Dat is bijna 1/3 van de huidige kostprijs van het levensbeschouwelijke onderwijs in Vlaanderen. Dat kan dus alleen maar door een flinke reorganisatie, waarbij heel wat uren (en dus leerkrachten) levensbeschouwelijk onderwijs moeten verdwijnen. Maar die besparingsmogelijkheid valt serieus tegen. En dat ligt aan… de grondwet.
Besparingen in het levensbeschouwelijk onderwijs?
De grondwet stelt immers in artikel 24 dat alle leerplichtige leerlingen recht hebben op een morele of religieuze opvoeding. De meerderheid van de scholen in Vlaanderen zijn vrije scholen. Deze scholen kiezen zélf de levensbeschouwing die aan hun onderwijsproject ten grondslag ligt. Vlaanderen telt vooral rooms-katholieke scholen, maar er zijn ook joodse scholen, Steinerscholen, protestants-evangelische scholen, enzovoorts. Deze scholen bieden meestal maar één levensbeschouwing aan. Met de huidige grondwet is besparing hier enkel mogelijk indien deze lessen zouden verminderen van twee naar één lesuur per week. Maar daar is weinig appetijt voor in deze scholen.
De blik wordt daarmee gericht op het levensbeschouwelijk onderwijs in het officieel onderwijs, dit wil zeggen, de scholen ingericht door een overheid. Dààr immers wordt een waaier aan levensbeschouwingen aangeboden en worden leerlingen voor levensbeschouwelijk onderwijs uit elkaar gehaald. Zo ontstaan vaak kleine klasjes met allemaal aparte leerkrachten. Daar valt dus te besparen, zou je denken. Misschien geen honderd miljoen, maar besparen is besparen, toch?
Levensbeschouwelijk onderwijs en de grondwet
Het grootste struikelblok is echter opnieuw de grondwet: die stelt namelijk in hetzelfde artikel dat scholen ingericht door openbare besturen ‘de keuze tussen onderricht in één der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer’ moeten aanbieden. Dit biedt erg beperkte ruimte tot aanpassingen en besparingen. Een openbare school kan niet zomaar één of twee levensbeschouwing aanbieden en de kleinere klassen schrappen. Elke leerling is immers gelijk voor de wet en heeft gelijke rechten. Meerdere kleine klassen binnen één levensbeschouwing samenvoegen kan bijvoorbeeld wel. Maar daarmee is weinig besparingswinst te halen en dat maakt het opstellen van de lessenroosters nog ingewikkelder dan het al is. Dus… is die grondwet dan niet gewoon achterhaald, wat betreft levensbeschouwelijk onderwijs?
Is de grondwet achterhaald?
Net als elke grondwet heeft de Belgische grondwet historisch haar huidige vorm gekregen. Ze is het resultaat van een voorzichtig, langzaam, democratisch proces. Ze bevat veel zaken die anders hadden geschreven kunnen worden – of er niet in hadden kunnen staan. Artikel 24 is pas in 1988 in haar huidige vorm vastgelegd. Ook toen was geloof en kerkgang al lang geen vanzelfsprekendheid meer. Toch koos het parlement er toen voor om de verplichte inrichting van het levensbeschouwelijke onderwijs op deze manier in de grondwet te betonneren. Daaraan mag absoluut opnieuw gesleuteld worden. De belangrijkste reden om het gedifferentieerd levensbeschouwelijk onderwijs dan niet zomaar te schrappen, is echter niet religieus van aard, maar liberaal-democratisch, en vertrekt vanuit fundamentele vrijheden.
Vrijheid van onderwijs
De fundamentele vrijheid van onderwijs ligt vast in de openingszin van Artikel 24 van de grondwet. Uitgangspunt daarbij is dat onderwijs nooit het exclusieve prerogatief van de overheid mag worden: de school mag nooit primair een instrument van de overheid worden, die kinderen zo kan kneden dat ze bovenal haar belangen dienen. In onze liberale maatschappij staat immers niet het staatsbelang, maar de vrijheid van burgers voorop, mét de vrijheid dus om onderwijs te organiseren op de door hen gewenste manier. Scholen mogen bijgevolg ingericht worden volgens de diepere overtuiging van ouders en verenigingen, vanuit hun kijk op hoe de wereld in elkaar zit, op wat goed en waardevol is, op hoe kinderen het best ontwikkelen, enzovoorts: hun levensbeschouwing. Die keuzevrijheid dient te worden gewaarborgd door de gemeenschap.
Recht op levensbeschouwelijk onderwijs
Naast die algemene ‘vrijheid van onderwijs’ legt artikel 24 §1 ook vast dat de gemeenschap (oftewel de overheid) zelf onderwijs kan inrichten. Als zij dat doet, moet dat onderwijs ‘neutraal’ zijn. En dat houdt in: met ‘eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen.’ Dit maakt opnieuw duidelijk dat óók de scholen die door openbare besturen worden ingericht, de vrijheid moeten dienen – de vrijheid van mensen om hun leven in te richten en hun kinderen op te voeden volgens hun eigen waarden, normen, geloof of ongeloof.
Hoe wordt verzekerd dat deze ‘neutrale’ scholen tegelijkertijd de levensbeschouwelijke diversiteit van de bevolking in hun onderwijs respecteren? Daarvoor heeft de wetgever dus het onderricht in de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer ingericht. De levensbeschouwelijke vakken zijn een minimale garantie dat ook scholen, die de overheid inricht, in het onderwijs ruimte geven aan de opvoedingsprojecten van de ouders, en dus aan een diversiteit aan levensbeschouwingen, aan filosofieën, aan meningen over het goede leven. Tegelijkertijd stellen deze scholen hiermee hun eigen neutraliteit veilig. De levensbeschouwingelijke lessen zijn in essentie dus een zeer tastbare vorm van onze vrijheid in de door de overheid ingerichte scholen.
Wetten en praktische bezwaren
Deze levensbeschouwelijke lesuren komen telkens weer ter discussie. Ze impliceren dan ook belangrijke vragen en zorgen. Die lessen brengen uitdagingen mee voor de lessenroosters. Hun inhouden dienen zorgvuldig vastgelegd te worden. De leerlingen worden ‘uit elkaar’ gehaald op basis van levensovertuiging; dient of bemoeilijkt dat een geïntegreerde levensbeschouwelijke diversiteit? Men dient geschikte leerkrachten te vinden en die kosten de gemeenschap geld. En waarom onderwijs in de ‘erkende’ levensbeschouwingen en niet in andere?
Het gesprek hierover moet absoluut gevoerd worden, maar dan wel ten gronde. In plaats van een snelle besparingsmaatregel is dit een fundamenteel debat en een maatschappelijk gesprek waard, juist omdat deze lessen onze zo gekoesterde vrijheid, diversiteit en gelijkheid zoeken te belichamen.
Bron: Knack
