Maarten Larmuseau: Ras bestaat niet, behalve als sociale constructie

De zaak-Nathan Cofnas belandt nu ook bij het gerecht, na de klacht van Unia. Genetici hoor je zo goed als niet over zijn ideeën. Dat is opmerkelijk, want in het hart van de controverse ligt een genetische claim over ras.

In zijn toespraak vatte ethicus Freddy Mortier die claim als volgt samen: er zouden genetische verschillen in intelligentie bestaan tussen groepen met een verschillende huidskleur. Hij noemde die stelling “perfect begrijpelijk” en “zinvol”. Zelf heeft hij er naar eigen zeggen helemaal geen sympathie voor, maar dat ze vals is, “is nooit aangetoond”. Mortier voegde er later aan toe dat de claim onderzocht moet kunnen worden en dat het dan aan vakgenoten is “om daar de nodige vraagtekens bij te plaatsen”.

Dat doen we graag, want van zo’n formulering valt een geneticus achterover. Dat onderzoek gebeurt immers al decennialang in een eigen discipline: de populatiegenetica. En die komt tot een heel andere conclusie.

Ons DNA draagt nergens een etiket ‘zwart’, ‘wit’ of ‘Aziatisch’. Wat het wel bevat, zijn genetische varianten die niet overal ter wereld even vaak voorkomen. Door grote aantallen van die varianten te vergelijken met die van mensen uit verschillende delen van de wereld, kunnen genetici vaak vrij nauwkeurig afleiden uit welke regio’s iemands voorouders afkomstig waren. Afkomst is dus geen etiket, maar een statistische reconstructie. Daarbij werken genetici met populaties, niet met zogenaamde ‘rassen’. Dat is geen semantisch verschil: welke populaties ze vergelijken en afbakenen, hangt af van de vraag die ze stellen.

Zonlicht

Een van de opmerkelijkste inzichten uit de populatiegenetica is dat het overgrote deel van de menselijke genetische variatie binnen populaties zit, tussen individuen. Slechts een kleiner deel hangt samen met geografische herkomst. Dat kleinere deel volstaat om afkomst uit DNA af te leiden, maar omgekeerd kun je uit iemands afkomst niet afleiden welke combinatie van genetische varianten die persoon draagt.

Populaties hebben ook geen scherpe genetische grenzen. Wie DNA van West-Europa tot Oost-Azië vergelijkt, ziet de frequenties van veel genetische varianten stap voor stap veranderen. Genetische structuren zijn wel herkenbaar, maar nergens vind je vaste, universele grenzen tussen ‘rassen’ zoals het ‘rassenrealisme’ veronderstelt.

Wie de genetische patronen die er wel zijn, wil beschrijven met categorieën als ‘wit’ of ‘zwart’, trekt grenzen die in ons DNA niet bestaan. Die labels verwijzen naar huidskleur en dat kenmerk volgt vooral de hoeveelheid zonlicht in de streek waar iemands voorouders leefden. Een donkere huid komt dan ook niet alleen voor in Afrika, maar ook bij populaties in Zuid-Azië, Melanesië en Australië. Groepen met een gelijkaardige huidskleur zijn daardoor niet noodzakelijk nauw verwant. Een lichte huid ontstond in Europa en Oost-Azië zelfs deels via verschillende genetische varianten. Huidskleur is een zichtbaar kenmerk, maar geen venster op de rest van ons DNA.

Het label ‘zwart’ is ook om een andere reden misleidend. Homo sapiens ontstond in Afrika en de genetische variatie is daar vandaag nog altijd veel groter dan op enig ander continent. De groepen die Afrika verlieten, namen maar een deel van die diversiteit mee. De categorie ‘zwart’ gooit dus enkele van de genetisch meest uiteenlopende bevolkingsgroepen ter wereld op één hoop.

Melkvee

Daarmee is de centrale claim van de ‘rassenrealist’, of liever ‘rassenfabulist’, nog niet helemaal van tafel. Hij of zij kan immers antwoorden: laat die grove categorieën als ‘zwart’ en ‘wit’ dan achterwege en vergelijk beter omschreven populaties. Kunnen verschillen in gemeten intelligentie tussen zulke populaties dan wel deels genetisch zijn?

Intelligentie is binnen een populatie inderdaad deels erfelijk. Maar dat zegt niets over de oorzaak van een verschil tussen groepen. Neem het klassieke voorbeeld van de beroemde geneticus Richard Lewontin: zaai een zak genetisch gevarieerd zaad in twee bakken, één met rijke grond en de andere met arme grond. Binnen elke bak zullen verschillen in groeihoogte grotendeels genetisch bepaald zijn. Toch kan het gemiddelde verschil tussen beide bakken volledig door de kwaliteit van de grond worden verklaard. Erfelijkheid binnen groepen zegt dus niets over de oorzaken van verschillen tussen groepen.

Genetische verschillen tussen populaties bestaan uiteraard wel, bijvoorbeeld in het vermogen om als volwassene melk te verteren. Maar in dat geval is de genetische basis gekend, hebben enkele varianten een groot effect en weten we in welke context het verschil ontstond: bij mensen die melkvee hielden. Intelligentie is van een totaal andere orde. Honderden, zo niet duizenden genetische varianten dragen er elk een bijzonder klein steentje aan bij, en tegelijk hebben onderwijs, gezondheid, voeding en talloze andere omgevingsfactoren een grote invloed. Dat maakt het veel moeilijker om genen en omgeving van elkaar te scheiden.

Ook de recentste ontwikkelingen binnen de genetica leveren geen bewijs voor genetische verklaringen van groepsverschillen in intelligentie. Onderzoekers proberen genetische bijdragen aan complexe eigenschappen te vatten met zogenaamde polygene scores, die de effecten van al die varianten samenvoegen tot één voorspeller. Binnen een populatie is dat een nuttig instrument. Maar die scores zijn bijna uitsluitend ontwikkeld op basis van mensen van Europese afkomst en werken veel slechter in andere populaties, en het slechtst in Afrikaanse populaties, precies door de grote genetische variatie. Wanneer ‘rassenrealisten’ zulke scores gebruiken om verschillen in intelligentie tussen populaties aan te tonen, vergelijken ze dus appelen met peren.

Gezondheid

Het eerlijke wetenschappelijke antwoord is niet dat genetische verschillen in intelligentie tussen populaties onmogelijk zijn. Wel dat we niet weten of ze bestaan, hoe groot ze zouden zijn of in welke richting ze zouden werken. Wat genetici wél weten, is dat het beeld bijzonder complex is. Varianten die in de ene populatie een effect hebben, hebben in een andere soms nauwelijks of zelfs een omgekeerd effect. Dat strookt totaal niet met het eenvoudige en hiërarchische denken rond intelligentie door de rassenfabulist.

De claim aan de basis van het hele debat vindt in de genetica geen steun. Betekent dit dat ras niet bestaat? Neen. Ras is een sociale werkelijkheid en een krachtige. Mensen worden op basis van uiterlijk en afkomst in groepen ingedeeld en daarnaar behandeld. Dat bepaalt mee welke kansen ze krijgen en zelfs hoe gezond ze zijn. Maar die werkelijkheid ontstaat in onze samenleving, niet in ons DNA.

Het debat over academische vrijheid en de grenzen van de vrije meningsuiting moet worden gevoerd. Maar wie het over ras heeft, kan niet voorbij aan wat de genetica erover zegt. Ons DNA is een mozaïek van ontelbare voorouders, migraties en vermengingen. Wie er rassen in leest, leest iets wat er niet staat.

Roel Feys (manager Ligas, KU Leuven Instituut voor Genetica en Samenleving), Maarten Larmuseau (Directeur Ligas en populatiegeneticus), Isabelle Cleynen (geneticus), Steven Van Belleghem (evolutiebioloog), Toomas Kivisild (populatiegeneticus).

Bron: De Standaard.

Laat een reactie achter