Antoine Bakhash: Waarom hebben we patriottisme aan rechtse en nationalistische partijen gelaten?

Afgelopen zondag wapperden Duitse vlaggen voor het podium van de AfD. Met 43,8 procent haalde de radicaal-rechtse partij in Saksen-Anhalt haar beste resultaat ooit. Buiten voetbalstadions is zulk vlagvertoon in Duitsland sinds de Tweede Wereldoorlog nooit vanzelfsprekend geweest. De aanblik gaf me een beklemmend gevoel.

Enkele dagen daarvoor zag ik uit Noorwegen beelden die het tegenovergestelde gevoel opriepen. Na de dood van koning Harald V legden duizenden Noren bloemen neer bij het paleis. Niet de monarchie hield me bezig, maar wat het betekent wanneer zoveel mensen zonder gêne tonen dat ze zich met hetzelfde land verbonden voelen. Harald had dat brede wij-gevoel in 2016 zelf verwoord: “Noren zijn ook geïmmigreerd uit Afghanistan, Pakistan en Polen, uit Zweden, Somalië en Syrië. Noorwegen, dat ben jij. Noorwegen, dat zijn wij.”

Waarom vinden we het in België zo moeilijk om verbondenheid met dezelfde openheid te beleven? We halen de driekleur eigenlijk alleen boven op 21 juli of wanneer de Rode Duivels spelen. Kort daarna verdwijnt ze weer in de kast. Buiten die momenten klinkt patriottisme al snel te rechts, te nationalistisch, te ouderwets of gewoon gênant.

Vorig jaar bleek zelfs “Vive la Belgique” zeggen te veel gevraagd. Premier Bart De Wever (N-VA) weigerde de woorden op 21 juli uit te spreken, zijn partijgenoot minister van Defensie Theo Francken maakte er “Vive la défense” van. Het blijft opmerkelijk dat mensen met een migratieachtergrond geregeld vragen krijgen over hun loyaliteit, terwijl twee prominente bestuurders van het land moeite hebben om België toe te juichen.

Waarom koesteren linkse partijen die verbondenheid niet zichtbaarder, desnoods met de Belgische vlag? Patriottisme is niet de exclusieve eigendom van wie het hardst over grenzen en identiteit roept. Er is een verschil tussen je land boven alle andere verheffen en vinden dat het land waarin je leeft het waard is om voor te zorgen.

In Achieving our country schreef de Amerikaanse filosoof Richard Rorty dat nationale trots voor landen is wat zelfrespect voor individuen is: een noodzakelijke voorwaarde voor zelfverbetering. Dat idee zou progressieven goed moeten liggen. Liefde sluit kritiek niet uit, maar kan net de reden zijn waarom we beter eisen. Ook onze sociale zekerheid berust op verbondenheid: ik betaal mee voor de operatie van iemand die ik nooit zal ontmoeten. Dat kan alleen zolang we onbekenden tot een groter “wij” rekenen.

Verbondenheid is de voorwaarde voor solidariteit. Ik weet hoe gevaarlijk het is als dat gevoel van verbondenheid ontspoort. Ik ben geboren in een land waar kinderen op school “nationalistische lessen” kregen: een sterk gepolitiseerde versie van de geschiedenis, cultuur en nationale identiteit, doordrongen van Baath-ideologie en staatspropaganda. Daarvoor pleit ik uiteraard niet. Belgen staan vaak wantrouwig tegenover nationale trots. Toch leerde ik hier een klein land kennen waar ziekte niet automatisch financiële ondergang betekent, waar meerdere talen en identiteiten samenleven, waar bovengemiddeld veel talent in sport, wetenschap en technologie te vinden is en waar vooral ruimte is voor kritiek. Reden genoeg om trots te zijn op onze samenleving – niet om haar boven andere te plaatsen, maar om ze voor iedereen te verbeteren.

Nieuwe Belgen zouden niet de enigen moeten zijn van wie wordt verwacht dat ze zich tot België verhouden. Een Belg kan geboren zijn in Antwerpen, Luik, Eupen of Aleppo; Nederlands, Frans of Duits spreken en thuis nog een andere taal. Hij kan gelovig of atheïst zijn, Vlaming, Brusselaar, Europeaan of nog iets anders. Daarmee verdwijnt België niet. Dat is België.

Dat is het patriottisme dat we niet aan rechtse nationalisten mogen laten. We mogen niet beweren dat België beter is dan alle andere landen, we moeten geloven dat het van ons allemaal is en het daarom voor iedereen beter willen maken. En wie weet durven we dan op een dag, zonder ironie en zonder schaamrood op de wangen, gewoon weer “Vive la Belgique” te zeggen.

Bron: De Standaard.

Laat een reactie achter