Brecht Nuyts: ‘Het is tijd om de verrijzenis zelf te laten verrijzen’
Stille Zaterdag ontleent zijn naam aan de stilte van de kerkklokken, die, zo luidt het volksverhaal, naar Rome zijn gevlogen om paaseieren te halen. Op paaszondag keren ze terug, luid en jubelend, met de boodschap dat de Heer verrezen is. Een mysterie! Een mirakel! Het onmogelijke wordt mogelijk: de dood is overwonnen. Halleluja! Al 2000 jaar vieren christenen dat vreugdevolle geloof, ook wanneer het leven zwaar weegt, en toch stel ik vast dat de verrijzenis ook vandaag moeilijk ligt.
De belofte op een hiernamaals klinkt niet alleen op Stille Zaterdag, maar ook op christelijke begrafenissen. Alleen: je moet al stevig in je schoenen staan om ze nog ernstig te nemen. Mensen rollen niet altijd openlijk met de ogen, maar in gesprekken achteraf merk je hoe de verrijzenis discreet wordt genegeerd. De aandacht verschuift soms volledig naar het geleden verdriet, de ziekte, de pijn, het gemis. We prijzen de strijd van nabestaanden en zorgverleners – daarna wordt het stil.
Alsof het verhaal daar eindigt. De dood is bespreekbaar, maar de hoop op een hemels weerzien wordt bij voorkeur verzwegen. Dat is geen neutraal feit, maar een verlies. Ik ben er niet helemaal van overtuigd dat de stilte het laatste woord heeft, noch wat het leven betreft, noch voor wat in het hart zit. De verrijzenis mag niet uit onze taal verdwijnen, want zo verliezen we ook een beloftevolle manier om met lijden om te gaan.
Een vlinder als teken
Op veel plaatsen krijgt die discussie een breekbaar karakter, ook in onze school. Een meisje van achttien stierf geheel onverwacht thuis, het verdriet dat ze nalaat bij haar familie en vrienden is met geen pen te beschrijven. Tijdens haar uitvaart klonk een voorzichtig verlangen om haar te herkennen in tekens zoals een vlinder, een droom of een lied op de radio.
Haar klasgenoten zeiden me op de speelplaats: “Het is al maandenlang donker en grauw, maar nu ze er niet meer is, schijnt de zon. Dat kan toch geen toeval zijn?” Enkele weken later, in dezelfde klas, stonden we opnieuw stil bij haar. Een van haar vriendinnen drukte de wens uit dat ze ons een teken zou geven. Daarop opende ze een flesje bruiswater, en het water spoot eruit. Er werd hardop gelachen: stel je voor dat zij het was?
Toch merk ik op andere momenten – als we in de les over de filosofische aannames van Dick Swaab lezen, bijvoorbeeld – dat zulke gedachten vanuit een materialistisch perspectief als illusies worden begrepen, ook al kunnen ze troost bieden. In de analyse van Swaab blijft van die vlinder op de speelplaats weinig over; daar zijn we simpelweg de chemie van onze hersenpan.
Ik merk ook bij mezelf een zekere schroom om erover te spreken en te getuigen. Misschien niet zozeer als het over mezelf gaat, maar wel als er anderen bij betrokken zijn, zoals mijn leerlingen. Als millennial ben ik opgegroeid met het idee dat geloof vooral iets persoonlijks is en dat sommigen zelfs vinden dat het exclusief tot de privésfeer behoort.
Binnenskamers houden
Als godsdienstleraar stel ik vast dat die overtuiging leidt tot onnodige ongemakkelijkheid, en dan nog net over thema’s die mensen na aan het hart liggen. De hoopvolle gedachte dat we haar in het hiernamaals zullen terugzien, vind ik moeilijk over te brengen, zelfs in een liefdevolle en warme klasgroep zoals deze.
Nu er geen Romeinse bewakers meer voor het graf staan en de verhalen vrij circuleren, lijkt de schroom om over verrijzenis te spreken niet verdwenen, maar verschoven. Wat ooit publiek werd verkondigd, wordt vandaag vaak binnenskamers gehouden, terwijl een materialistisch verhaal moeiteloos de open ruimte inneemt.
Toch is die terughoudendheid niet zonder gevolgen. Als de taal van hoop uit ons spreken verdwijnt, verliezen we meer dan een geloofsartikel. We verliezen een manier om het lijden te benaderen, om de dood niet het laatste woord te geven. Wat overblijft, is een taal die beschrijft, maar zelden nog draagt.
Misschien hoeft de verrijzenis niet luid te worden verkondigd. Eerder cum timore et magno gaudio (met vrees en grote blijdschap), zoals Maria en Magdalena dat deden volgens het Matheusevangelie (Mt. 28,8). Maar als ze alleen nog gefluisterd wordt, sine magno gaudio, dreigt ze ook uit ons denken te verdwijnen. En daarmee ook de mogelijkheid om, zelfs aarzelend, te blijven hopen dat het einde niet definitief is.
Bron: De standaard
https://www.standaard.be/opinies/het-is-tijd-om-de-verrijzenis-zelf-te-laten-verrijzen/145140281.html
