Mark Van de Voorde: ‘Wie graag wereldburger wil zijn, laat daarom nog niet graag de wereld binnen’

De vakantie is voorbij. Velen die op reis gingen, trokken landsgrenzen over. Hoe verder ze reisden, hoe enthousiaster ze erover vertellen. Kortom, hoe meer landsgrenzen ze moesten overschrijden, hoe interessanter de bestemming leek te zijn geweest. Het vreemde bekoort. En toch…

De hartelijkheid van de mensen ginds was blijkbaar aandoenlijk. Zelfs hoe die ‘vreemden’ leven was voor velen aantrekkelijk. Een voorbeeld voor ons. “Waren wij maar zo tevreden, zo onthecht en zo gastvrij, we zouden gelukkiger zijn”, verzucht menigeen in zijn relaas. Daarom denken sommigen eraan aan om ginds een tweede huis te kopen. Wie weet, wordt het uiteindelijk niet hun ‘eerste’ huis.

De mens is een contradictorisch wezen. Hij is gecharmeerd door vreemde culturen en wil kennismaken met de mensen van daar, toch wil hij niet dat zij kennissen worden in zijn buurt of omgeving. Dan is plots die zo bekoorlijke cultuur waarvan hij zegt veel te kunnen leren, een vreemde cultuur die botst met zijn waarden.

Kort samengevat, hijzelf wil graag een wereldburger zijn maar laat de wereld niet graag binnen. Voor zichzelf wil hij open grenzen. De poespas van een reispas en het gehannes van een visum zijn hem een doorn in het oog. Voor mensen van daar evenwel moeten de grenzen dicht, desnoods met hekken afgerasterd en met marineschepen gecontroleerd.

De mens heeft altijd een dubbelzinnige houding gehad tegenover grenzen. Die contradictie lijkt een beetje op van wat de Oostenrijkse dichteres Ingeborg Bachmann (1926-1973) in Briefe an Felician over zichzelf schreef: “Twee mensen zitten in mij, de ene verstaat de andere niet.” Ik versta die tegenstelling niet van iemand die zelf grenzeloos wil leven maar toch wil verhinderen dan anderen grenzen oversteken.

Grenzen! Ooit betekenden ze vooral dat er dingen waren die je niet deed. Kinderen werden met dat grenzendogma opgevoed. Ook de publieke moraal was daarop geënt: er waren rode lijnen die je niet overstak. Ik noem ze onze morele binnengrenzen.

Uiteraard waren er toen ook corrupte politici die ongeoorloofde afspraken maakten, frauduleuze ondernemers die handje contantje eerstgenoemden omkochten en schijnheilige pilaarbijters die de geproclameerde zeden zedeloos in praktijk brachten.

Natuurlijk liep elkeen wel eens over de schreef, al was het maar omdat grenzen er ons toe verleiden om ze over te steken (misschien had men sommige zinloze grenzen wel daarvoor getrokken). Toch wist elkeen de grenzen liggen. Tegelijk legde men zichzelf eigen grenzen op. Allereerst uit respect voor anderen. Omdat medemensen naasten zijn, mocht je niet aan hun vrijheid raken.

De grenzen van die publieke moraal snoerden ook wel eens de persoonlijke vrijheid te zeer. Daardoor raakte het woord grenzen in onbruik. Vrijheid moest vooral blijheid blijven. “Ieder zijn normen” werd het ethische normaal, zelfs ideaal. Het “Ieder zijn normen” voegde zich bij het “Ieder zijn waarheid”. Door de verabsolutering van die parolen verdampte de spontaan ontstane publieke moraal van de burgers en hun middenveld.

In de ethische leegte die daardoor ontstond, sprong de staat. In plaats van het geweten zou nu de wet de moraal bepalen. Sindsdien is het de politiek die ons met ministeriële besluiten de les leest, verboden peroreert en verplichte houdingen genereert. Als de publieke moraal niet langer door het geweten maar door de wet wordt bepaald, wordt de staat een keizer-koster die steeds nieuwe grenzen trekt. Wij dienen ze niet meer te trekken.

Misschien is het wel omdat mensen niet meer naar hun eigen grenzen kijken, dat ze hun ogen richten op andere grenzen. Het woord grenzen is zelfs weer populair, weliswaar in een andere betekenis. Vroeger ging het over de figuurlijke binnengrenzen, de morele grenzen van ons (publieke) gedrag. Nu gaat het over de letterlijke buitengrenzen, de geografische grenzen van onze (Europese) vlag.

Protesteren velen binnensmonds tegen de grenzen waarbinnen de politiek onze handel en wandel wil wringen en dwingen, ze schreeuwen luidkeels dat die zelfde politiek de buitengrenzen moet bewaken en sluiten.

Ik pleit niet om de buitengrenzen van Europa wagenwijd open te zetten, maar ik zou verwachten dat mensen die gecharmeerd werden door wat ze op reis zagen, humaner zouden denken over wie van ginds op zoek is naar geluk (we hebben ze trouwens nodig voor onze economie). Zolang moraal een zaak van de wet blijft en niet weer iets van het geweten wordt, zal het niet gebeuren.

Dat in de Europese Unie, die ontstond om over grenzen heen te kijken en waarvan het vrij verkeer van mensen, goederen, diensten en kapitaal de basis vormt, de staatsgrenzen weer belangrijk worden, is niet onschuldig. Het is een teken van een gevaarlijke tijdgeest.

In 1926 noteerde de Zwitserse schrijver Hermann Hesse in zijn reisverslag Wanderung: “Grenzen zijn als kanonnen en generaals: zolang verstand, menselijkheid en vrede heersen, merkt men er niets van en lacht men ermee, maar zodra oorlog en waanzin uitbreken, worden ze belangrijk en heilig.”

Bron: Knack.

Laat een reactie achter