Antoine Bakhash: Ik neem antidepressiva en dat is géén teken van zwakte

Met de playlist ‘ADHD-focusmuziek’ op de achtergrond zoek ik cijfers op over het gebruik van antidepressiva. Volgens het Riziv kregen in 2024 1,36 miljoen Belgen antidepressiva voorgeschreven. Toch hoor ik er weinig over. Gisteren vertelde ik een vriend dat mijn volgende column erover zou gaan. “O, ik neem ze al heel lang”, zei hij. Mijn eerste gedachte? “Jij? Je lijkt zo sterk, succesvol en stabiel.” Hoewel ik zelf ook antidepressiva neem, dacht ik blijkbaar nog altijd dat zoiets op iemands gezicht staat te lezen.

Toen ik in België aankwam, werd ik soms gevraagd als gastspreker. Ik vertelde over de oorlog in Aleppo en hoe het is om op te groeien tussen bombardementen. Na een lezing zei een vrouw: “Dat moet traumatiserend zijn geweest.” Ik wuifde het weg: “Nee hoor, ik ben sterk.” Een oorlog betekende toch niet automatisch dat mijn jeugd zwaarder was dan die van iemand hier met een zware rugzak? Dat geloof ik nog altijd. Maar ik wist niet wat de term ‘trauma’ écht betekent, een woord dat vandaag te gemakkelijk wordt gebruikt.

Thuis spraken we niet over mentale gezondheid. Zelfs tijdens de oorlog deden we alsof alles in orde was. Ik neem het mijn familie niet kwalijk. Het was ons copingmechanisme, in tijden van oorlog misschien wel het enige dat gratis en beschikbaar was. Vijftien jaar later begrijp ik pas wat die mevrouw me probeerde te vertellen. Hulp zoeken heb ik te lang als een zwakte gezien.

Jarenlang liep ik rond met ernstige depressieve klachten en het koppige idee dat ik geen hulp nodig had. Uiteindelijk stapte ik naar een psychiater. Na een paar sessies stelde hij antidepressiva voor. Wekenlang stond dat voorschrift op mijn identiteitskaart, tot ik naar de apotheek durfde. Ik twijfelde hard en keek naar dat doosje alsof het me nóg verder van mezelf zou verwijderen. Twee jaar later, heeft dat pilletje me juist de échte Antoine teruggegeven: de sociale, gemotiveerde gast die flauwe dad jokes maakt.

Antidepressiva zijn niet de gemakkelijkheidsoplossing, zoals vaak wordt beweerd, zeker in een samenleving die vaak over dit thema zwijgt. Het is een keuze die moed en geduld vraagt. Je lichaam moet zich aanpassen, je krijgt te maken met bijwerkingen, je moet zoeken naar de juiste medicatie en dosis, én misschien nog wel de grootste uitdaging: je moet geluk hebben om een afspraak bij een psychiater te krijgen.

Mentale gezondheid staat zogezegd hoog op de politieke agenda. Toch blijft ze een luxe. Mensen die voor oorlog zijn gevlucht of uit kwetsbare groepen komen, worden in dat debat vaak vergeten. Er is weinig aandacht of begeleiding om hen te helpen trauma’s te verwerken voor het te laat is. Aan de andere kant is het ironisch dat in de Wetstraat 16 nu net wordt gesproken over besparingen in de gezondheidszorg.

Ik voel me soms schuldig over die pil. Ik ben ze vaak beu en wil ik er ooit van af. Het is een haat-liefdeverhouding, die soms toxisch aanvoelt: ik wil zo graag zonder jou, maar ik heb je nodig om mezelf te zijn. Toch heb ik momenteel niet de ruimte om te stoppen en een terugval te riskeren. Zeker niet met de Vlaamse maatregelen waardoor studenten van dertig jaar of ouder financiële steun verliezen. De marge om uit te vallen is te klein.

Soms worden antidepressiva misschien te snel voorgeschreven, maar het stigma errond helpt niemand. Tijdens de oorlog was zwijgen ons copingmechanisme, vandaag lijkt ‘doen alsof alles prima gaat’ de norm in een dolgedraaide prestatiemaatschappij. Misschien moeten we ons afvragen of ons maatschappelijke model nog wel werkt. Als de mens vandaag écht centraal staat, waarom wordt er dan van ons verwacht dat we functioneren als een perfect presterende machine?

Bron: De Standaard.

Laat een reactie achter