Mark Van de Voorde: De seculiere Europese Unie is niet denkbaar zonder haar christelijke wortels

Komende maandag 28 september eindigt paus Leo XIV zijn bezoek aan Frankrijk in Metz. Hij neemt er deel aan een internationaal congres over “de wortels van Europa voor vrede en eenheid” in het Robert Schuman Conferentiecentrum. Robert Schuman (1886-1963), die in Metz woonde, ontwierp in 1950 het plan voor de Frans-Duitse verzoening en was een van de bedenkers van wat vandaag de Europese Unie is, samen met Jean Monnet, Konrad Adenauer en Alcide de Gasperi.

Dat drie van de vier ‘vaders van Europa’ actieve christenen waren – Jean Monnet was niet-praktiserend en veeleer seculier – is geen toeval. Het seculiere Europa is zonder de christelijke wortels niet denkbaar. De Amerikaanse auteur en politicoloog William Pfaff schreef in 2002: “Het westerse christendom bood Europa in feite de mogelijkheid tot seculier bestuur en onafhankelijk seculier denken. Het secularisme is voortgekomen uit het christendom.”

Schuman en zijn medestanders waren de dragers van de ziel van Europa die vertrapt was geweest onder de laarzen van het nationaalsocialisme. Zij waren de bewakers van het Europese ideaal van de homo universalis dat dreigde te worden overschaduwd door het mensbeeld van de homo sovieticus. Zij waren bovenal de verkondigers van de verzoening als de enige goede manier om van tegenstanders bondgenoten te maken, als de enige weg om van vijanden vrienden te maken.

Dat christenen van toen aan de basis lagen van de Europese eenwording, is niet alleen geen toeval, het is ook een oproep aan christenen van vandaag om erfgenaam en erfgoedbewaker te zijn van het Europese gedachtegoed van vrede, verzoening en welvaart.

Als christenen de Europese droom opgeven, dan is Europa verloren. Als christenen het Europese idealisme afleggen, dan wint het nationalisme en haalt het nationale of regionale egoïsme het van de Europese solidariteit. Dan kan Poetin Europa verdelen en kunnen populisten hun droom van de autocratie realiseren.

De plaats van de christen, als oudste erfgenaam en behoeder van de Europese gedachte, is in het huidige geseculariseerde Europa belangrijker dan ooit. Hoezeer Europa vandaag naar buiten toe weer eendrachtiger optreedt (onder meer door de oorlog in Oekraïne en de onbetrouwbaarheid van Trump), blijft binnen de EU-landen de Euroscepsis groot. De oorzaken zijn gekend: de verlammende regelneverij van de Europese bureaucratie en het feit dat ‘Brussel’ mentaal ver weg is, hoe geografisch dichtbij ook.

De crisis van Europa is echter ook verbonden met de crisis van het christelijke geloof. Als een overtuiging verschrompelt, verbrokkelt ook de toepassing van het idealisme. Daardoor is het enthousiasmerend project van vrede en eenheid dat Europa was, een louter zakelijk economisch verhaal zonder ziel geworden.

De ijver voor Europa moet bij christenen samengaan met een ijver voor het geloof. Niet om beide doelstellingen te doen versmelten. Helemaal niet. Enkel een geloof dat is gedegradeerd tot erfgoed en rituele symboliek, kan politiek worden misbruikt als vlag van verdeeldheid en discriminatie. Dat gevaar verdwijnt, als christenen zich blijven voeden aan de evangelische boodschap van naastenliefde, vrede, vergeving, verzoening, hoop en solidariteit.

De droom van het seculiere Europa van openheid en tolerantie kan slechts in stand worden gehouden in de mate waarin het christendom een voldoende grote geestelijke kracht blijft in Europa. De Europese doelstelling, ofschoon totaal gescheiden van de religieuze doelstelling, is afhankelijk van de inspiratie van het christelijke geloof. De Europese crisis is “une crise chrétienne de l’Europe (een christelijke crisis van Europa)”, luidt de titel van het boek van de Franse historicus Jean Dominique Durand. Het seculiere project Europa wankelt, als de dragers van de verzoening waarop het steunt, wankelen.

In 1958 zei Robert Schuman: “Alle landen van Europa zijn doordrongen van de christelijke cultuur. Zij is de ziel van Europa die men het moet teruggeven.” Sinds die uitspraak zijn vele bladzijden geschreven over die Europese ziel. Over het ontbreken ervan en over de noodzaak eraan (onder andere door Jacques Delors in 1992). Maar velen denken dat het beter is om de wortels van Europa ongenoemd te laten om niet-christenen niet te froisseren.

Niets is erger voor een samenleving – bovenal voor een samenleving in crisis – dan de geschiedenis te ontkennen of te negeren. Hierdoor wordt immers de gezonde actualisering van het zelfbewustzijn van die samenleving tegengehouden. Het zelfbewustzijn wordt dan gekaapt door populisten. De Europese crisis en het Euroscepticisme zijn grotendeels te verklaren door een zelfbewustzijnsmanco, waardoor de Europese Unie, om de woorden van rechtswetenschapper Josef Isensee te gebruiken te uitsluitend “een samenwerkingsverband” is en te weinig “een waardegemeenschap”.

De centrale waarde van Europa is vrede. Hoewel de volkeren uit de stichtende landen van wat vandaag de Europese Unie heet, verschillende talen spraken, was er één die ze allemaal verstonden, de taal van de verzoening. Het is die taal die na de Tweede Wereldoorlog klonk om de oude vijanden Frankrijk en Duitsland bij elkaar te brengen. Het is ook die taal die erin slaagde om in Europa het grootste vredesproject uit de geschiedenis te realiseren.

Ook vandaag is het de taak van de christen om de taal van de verzoening te blijven spreken en concreet te maken in daden (“de solidariteit van de daad”, zoals Schuman het noemde). Dat moeten christenen meer dan ooit doen, nu nationale of regionale belangen sterker worden dan het algemeen belang en lidstaten dreigen weg te zakken in een economische of democratische crisis.

Dat moeten christenen ook doen aan de grenzen van Europa, wanneer de druk van de migratie ons de ogen opent voor de ellende elders in de wereld, of wanneer we geconfronteerd worden met woelingen, in de periferie, van volkeren op zoek naar democratie.

Het boeiende is dat de droom van de verzoening in Europa samenging met het realisme van de zakelijkheid, botsend en haperend weliswaar. Die onwaarschijnlijke combinatie maakte van de Europeaan een “extrémiste du possible”, om de woorden te gebruiken die Jean Drapier, kabinetschef van Paul-Henri Spaak, uitsprak tijdens het Europese Congres van 8 mei 1948 in Den Haag.

“Extremisten van het mogelijke” kunnen het onmogelijke mogelijk maken. Dat was de Europese eenwording toch? Maar “extremist van het mogelijke” kan Europa slechts blijven, als het zichzelf blijft en niet zwicht voor populisme. Het doorzettingsvermogen van de trouw aan haar principes is hiervoor nodig. Christenen hebben hier misschien wel een extra inbreng, omdat ze geloven dat het goede uiteindelijk wint.

Bron: Knack.

Laat een reactie achter