Freija Bornauw: Besparingsmaatregelen in het hoger onderwijs leggen stuurloos beleid bloot
Bij het einde van een academiejaar komt heel wat kijken: examens, thesisverdedigingen en proclamaties. Dit jaar maakt een hele groep studenten zich ook nog eens zorgen over wat de toekomst brengt. De besparingsbel weerklinkt immers ook weer in het hoger onderwijs.
Vooral studenten die afhankelijk zijn van een studietoelage komen in het vizier. Ze zouden voortaan minstens 54 studiepunten per jaar moeten opnemen om recht te hebben op zo’n toelage. De mogelijkheid om die daarna terug te vorderen als een student onvoldoende presteert, zou ook op tafel liggen. Wie ouder is dan 30 kan een toelage voortaan helemaal vergeten.
Exclusiever onderwijs
De studenten protesteerden zelf al uitgebreid tegen deze maatregelen, maar ook als onderwijsondersteuner kun je er moeilijk enthousiast van worden. In de eerste plaats omdat ze een gebrek aan cohesie in ons onderwijsbeleid verraden. Terwijl deze voorstellen besproken worden om ons hoger onderwijs exclusiever te maken door de lat hoger te leggen voor socio-economisch kwetsbare studenten, vaart men in het secundair onderwijs een heel andere koers.
Daar start men met een project rond ‘pioniersscholen’ of ‘scholen voor iedereen’, waarbij in lijn met het befaamde M-decreet extra ondersteuning wordt gegeven aan CLB’s en Leersteuncentra, zodat meer leerlingen uit het buitengewoon onderwijs voortaan in het reguliere circuit terecht zouden kunnen.
In het secundair onderwijs gaat men er dus nog steeds van uit dat diversiteit een troef is voor álle leerlingen. Dit staat niet gelijk aan een kwaliteitsverlaging: in dit systeem hebben docenten hoge verwachtingen van elke leerling en geloven zij dat de diverse groep uitmuntende leerresultaten kan behalen.
Het is dan ook verrassend dat deze redenering aan universiteiten en hogescholen wordt omgedraaid. Degenen die in het middelbaar juist aangemoedigd worden om aan het regulier onderwijs deel te nemen ondanks een onderliggende gezondheidsproblematiek, een leerstoornis of misschien een lastige thuissituatie, worden eens ze 18 jaar zijn plots afgestraft wanneer ze er niet in slagen 54 studiepunten te behalen.
Het zou heel anders kunnen. Waarom wordt er niet geopteerd voor het versterken van de inclusiviteit van ons hoger onderwijs? De onderwijskwaliteit in Vlaanderen is nog steeds iets om internationaal mee uit te pakken, en dat hangt voor een belangrijk deel samen met het toegankelijke karakter van onze hogere onderwijsinstellingen.
Opwaartse mobiliteit
In het verleden zagen we dat de democratisering van het onderwijs in Vlaanderen gelijkstond aan een verrijking van de kenniseconomie en opwaartse mobiliteit. De draagkracht van deze groei is nog niet overschreden: het aandeel pioniersstudenten, studenten van wie de ouders geen diploma hoger onderwijs hebben en die als eerste van het gezin een hogere opleiding aanvatten, vormt een substantiële groep binnen de studentenpopulatie.
Besparingsmaatregelen als deze zullen de groei in mobiliteit en dus ook de uitrol van onze kenniseconomie ongetwijfeld doen stagneren.
Met de voorgestelde hervormingen zetten we eens te meer een stap richting een Angelsaksisch model voor de universiteit: kleine lesgroepen, hoge inschrijvingsgelden en een hoge graad van selectiviteit. Dit is een model waarbij de zwaksten onvermijdelijk uit de boot vallen.
Toch zorgt deze selectiviteit niet tot een betere kwaliteit: aan deze instellingen is er sprake van grade inflation. Studenten betalen enorme bedragen voor hun studie en krijgen bijna uitsluitend de hoogst mogelijke punten. De docenten willen het immers niet op hun geweten hebben dat een student nog eens een extra jaar zo’n astronomisch bedrag moet ophoesten. Een al te financieel bestraffend onderwijskader werkt dus paradoxaal genoeg juist de erosie van de kwaliteitsbewaking in het onderwijs in de hand.
