Bernard Spitz: ‘Ode aan de baarmoeder – de blik van een gynaecoloog’
Wanneer men bijna een halve eeuw de drempel van de gynaecologie heeft bewaakt, vooral binnen de muren van UZ Leuven-Gasthuisberg, nestelt de tijd zich in een bijzonder soort herinnering. De hectiek van het universitair centrum heb ik verruild voor een bescheiden privépraktijk – een bezigheid die ik met milde ironie mijn ‘hobby’ noem. De witte jas is lichter geworden, de nachten zijn weer van mij, maar de verwondering voor wat zich in het vrouwelijk bekken voltrekt, is gebleven.
Gynaecologie wordt vaak gereduceerd tot de geneeskunde van de vrouwelijke voortplantingsorganen. Dat is een schrale omschrijving voor een discipline die in wezen poortwachter is van het leven zelf. Dit is geen pleidooi voor anatomisch determinisme, maar een bewuste keuze om stil te staan bij het meest miskende wonder van de menselijke anatomie: de baarmoeder.
Het orgaan van het begin
Om de baarmoeder te begrijpen, moeten we terug naar het allereerste begin. In de vroege embryonale weken dragen we allen de aanleg van beide seksen in ons. Rond de zesde tot achtste week fuseren, bij afwezigheid van mannelijke signalen, de Müllerse kanalen in de middellijn. Twee worden één en scheppen een ruimte die later plaats moet bieden aan een heel nieuw mens.
Ook in het mannelijk lichaam blijft een bescheiden herinnering achter: de utriculus prostaticus, een minuscuul, blind eindigend zakje in de prostaat – een anatomisch fossiel dat getuigt van een gedeelde oorsprong.
Volgroeid is de uterus een dynamisch meesterwerk. Ze bezit een eigen microbioom dat van belang is voor implantatie en immunologische tolerantie. Het endometrium voert een intieme moleculaire dialoog met het embryo via microRNA’s en signaalstoffen – een vorm van prenatale opvoeding op cellulair niveau. Tijdens de zwangerschap rekt het myometrium uit tot twintig keer zijn oorspronkelijke volume, terwijl het immuunsysteem de half-vreemde indringer omarmt zonder de verdediging tegen pathogenen te verliezen. Een fysiologische prestatie die grenst aan het mystieke.
Het miskende orgaan
Toch is de alledaagse beleving van de baarmoeder vaak prozaïsch. In de taal is ze functioneel en plomp; in de spreekkamer vooral een bron van klachten: overvloedige bloedingen, pijnlijke menstruaties, myomen, of het spook van kanker. Vroeger leidde dit regelmatig tot laagdrempelige hysterectomieën. “Geen organen, geen problemen,” was het pragmatische devies, vaak geuit door mannelijke gynaecologen die het orgaan vooral als tijdelijke container beschouwden.
We hebben te lang voorbijgegaan aan de psychoseksuele en existentiële betekenis van dit orgaan.
De existentiële paradox
Hier ligt de paradox: juist dit orgaan dat zo vaak als last of overbodigheid wordt ervaren, is de absolute voorwaarde voor het voortbestaan van onze soort. Alleen de vrouw bezit het biologische vermogen om een ander menselijk wezen in zich te dragen. Die potentie – ook wanneer ze niet wordt benut – kleurt de vrouwelijke ervaring en fenomenologie.
Het lichaam is een medium om een wereld te hebben. De belichaming rond een potentiële schoot brengt een specifieke oriëntatie mee: internalisatie, bescherming, zorg. Dit resoneert met inzichten uit de zorgethiek, zonder dat we vrouwen daarmee reduceren tot biologie.
De symbolische schoot
De baarmoeder overstijgt haar anatomie. Ze is het oerbeeld van geborgenheid, de eerste en volmaakte ruimte van bescherming. Het is de plek waar we ooit in absolute syntonie met een ander bestonden, omgeven door warm vruchtwater en het ritme van een moederhart.
Paulus gebruikt in zijn brief aan de Korintiërs het lichaam als metafoor voor de gemeenschap: juist de schijnbaar zwakkere of minder eervolle delen verdienen de meeste zorg. In onze samenleving ambiëren velen het hoofd of de spieren – intellect, macht, prestatie. Weinigen ambiëren de baarmoeder: de stille, verborgen ruimte waar leven ontstaat in plaats van geproduceerd wordt.
Een maatschappelijke vraag
Na een leven aan de klinische frontlinie rest mij een lichte melancholie. In onze hyper-efficiënte, prestatiegerichte cultuur schreeuwt er een tekort aan wat we ‘baarmoederkwaliteiten’ zouden kunnen noemen: geborgenheid, psychologische veiligheid, het vermogen om te beschermen en te voeden zonder onmiddellijke return on investment.
Echte emancipatie houdt niet op bij de toegang van vrouwen tot de mannelijke wereld. Ze wordt pas voltooid wanneer de samenleving als geheel de kwaliteiten van de schoot herontdekt en opwaardeert – niet door vrouwen terug te dringen in biologische rollen, maar door die symbolische tederheid universeel menselijk te maken.
De redding van onze menselijkheid ligt niet in meer spierkracht of cerebrale arrogantie, maar in het vermogen om opnieuw een schoot te worden voor elkaar. Pas wanneer we de baarmoeder werkelijk naar waarde schatten – in haar complexiteit, haar diepte en haar tederheid – begrijpen we beter wat het betekent om mens te zijn.
Bron: Doorbraak
